Waarom ik stillevens schilder
Een bol knoflook op tafel. Meer is het niet — en juist daarom is het alles. Over de rust in het kleine.
Op de tafel in mijn atelier ligt een bol knoflook. Zilverwit vlies, dun als papier, met van die paarse adertjes erdoorheen. Ik heb hem geschilderd op een paneeltje van tien en een half bij elf en een halve centimeter. Mensen vragen weleens: waarom schilder je zoiets gewoons, zo klein?
Het eerlijke antwoord is: om de rust. Een landschap beweegt altijd — het licht verschuift, de wolken trekken, het tij komt op. Een stilleven ligt stil. Het vraagt maar één ding van mij: dat ik kijk. En wie lang genoeg naar het gewone kijkt, ontdekt dat het helemaal niet gewoon is. Dat vlies, die glans, die kleine schaduw — het is allemaal veel rijker dan je dacht toen je het uit de keukenla pakte.
Ik kan een knoflookje niet maken. Ik kan het alleen náschilderen — en al doende word ik stil van hoe het gemaakt ís. Voor mij is een stilleven schilderen daarom ook een vorm van luisteren. In al dat kleine moois zie ik de hand van de Schepper terug, net zo goed als in een wolkenlucht boven het wad. Misschien wel duidelijker: bij iets kleins kun je niet om de verwondering heen.
En dan is er nog het ambacht. Een klein vlak is streng: elke streek telt, niets kan zich verstoppen. Maar als het lukt, is zo’n klein paneeltje hélemaal af — af op een manier die een groot doek zelden is. Klein maar af, zeg ik weleens. Dat knoflookje hangt inmiddels bij de stillevens, samen met ander klein werk. Er komen er meer; het onderwerp ligt tenslotte gewoon in de keukenla.
— Dick Oostra, Oldehove